www.Karsttates.com |
||
Een kijkje in de geest van Karst Tates |
||
|
|
NRC Handelsblad
Door onze redacteur MEREL THIE Rotterdam, 24 juni 2009 Karst Tates reed zeven mensen dood op Koninginnedag. Dat hij zelf ook overleed, is geen beletsel voor onderzoek naar zijn geestesgesteldheid. Met een analyse van zijn milieu kom je een heel eind. Ongeveer een week hebben de onderzoekers erover moeten nadenken. Was het mogelijk de geestesgesteldheid van de overleden Karst Tates te analyseren? Begin mei had justitie het verzoek daartoe neergelegd bij het psychiatrisch onderzoekscentrum van justitie NIFP (waarin het Pieter Baan Centrum is opgegaan). Karst Tates stierf in de nacht na Koninginnedag aan de verwondingen die hij opliep toen hij zeven mensen dodelijk verwondde door ze met hoge snelheid omver te rijden. Onderzoek naar de psyche van een dode man. Kan dat? En wat zegt dat dan over de daad? In de week dat de onderzoekers nadachten, hebben ze zich vooral afgevraagd of er genoeg informatie was om te analyseren, vertelt de directeur van het NIFP, Erik Heijdelberg. „Toen we hoorden wie er allemaal mee wilden werken en welke informatie er al was, besloten we dat het kon.” Dat Karst Tates dood is, vormt geen beletsel, zegt hij. De zaak is misschien wel uniek, zegt Heijdelberg, maar de werkwijze is dat niet. Forensisch onderzoekers werken geregeld met verdachten die niet mee willen werken. „Door hun psychische aandoening of omdat hun advocaat hun dat afraadt. Dan wordt, net als nu bij Karst Tates gebeurt, een analyse van het milieu gemaakt waar iemand uit komt. Zoals we ook altijd kijken naar de cel van een verdachte; wat hangt er aan de muur?” Maar er is een verschil. Bij verdachten die weigeren mee te werken aan het onderzoek is er altijd gedrag om te observeren, zegt Heijdelberg. „De hele dag in bed liggen met een deken over je hoofd is ook gedrag. Ook bij mensen die totaal niet meewerken, kun je soms psychische aandoeningen goed vaststellen.” Dat gaat in het onderzoek naar Tates niet gebeuren, verwacht Heijdelberg. „Daar kunnen we hooguit zeggen dat het materiaal ‘aanleiding geeft om te denken’ dat Tates aan een bepaalde psychische aandoening leed.” Het omgekeerde, dat hij volkomen bij zinnen was op Koninginnedag, zal ook niet worden vastgesteld. „De conclusie kan ook zijn dat we besluiten dat we er toch niets over kunnen zeggen”, zegt Heijdelberg. Ook dan heeft het onderzoek een functie, vindt hij. „Er zijn zoveel mensen die uitspraken over Tates doen die nergens op gebaseerd zijn, dat het goed is als deskundigen een grondige analyse maken. Ook als de uitkomst nul is.” Het onderzoek naar de psyche van Tates loopt sinds half mei. Maar het zal pas na de zomer worden afgerond. En dat heeft gevolgen voor de andere onderzoeken die tegelijkertijd moeten worden gepresenteerd; het onderzoek van de Nationale Recherche, het onderzoek in opdracht van de gemeente Apeldoorn en een onderzoek van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding naar de beveiliging van de leden van het Koninklijk Huis. De minister wil niet steeds over elk apart rapport verantwoording afleggen aan de Tweede Kamer. De Nationale Recherche heeft al twee weken geleden haar conclusies geformuleerd. Een bron die erover is geïnformeerd, vertelt dat de opzet was om zoveel mogelijk scenario’s uit te sluiten. Zoals dat er een mededader zou zijn geweest. Net als na de moord op John F. Kennedy zullen, verwacht de recherche, over deze daad steeds nieuwe theorieën opduiken, juist omdat de dader er niet meer is. En dat maakt dit tot een heel ander onderzoek dan dat naar de moord op Pim Fortuyn. Toen was het – politieke – motief van de dader snel duidelijk: voorkomen dat Fortuyn aan de macht zou komen. Het onderzoek van de recherche is bemoeilijkt doordat Tates relatief geïsoleerd leefde. De informatie die rechercheurs wel hebben gevonden, is ter beschikking gesteld van het NIFP. Speciaal geschoolde maatschappelijk werkers van de dienst gaan nu ook zelf op pad om gesprekken te voeren met mensen die Tates kenden of hebben gekend. De psyche van een overleden man analyseren kan, zegt hoogleraar forensische psychiatrie Karel Oei (Universiteit Tilburg). „Zoals een patholoog na iemands overlijden een blauwe plek kan vinden.” Maar als een vriendin van de dode zegt dat zij net een relatie met hem had beëindigd? „Dan hoop je dat anderen daar ook over kunnen verklaren, je moet tot feiten komen.” Volgens Oei is alles wat aan het beeld van de verdachte is toe te voegen „juridisch relevant”. Hij vindt wel dat je „ontzettend voorzichtig” moet zijn met conclusies in deze „precaire kwestie”. En hij verwacht „zeker” kritiek op de analyse van het NIFP. „Maar het is ook de taak van justitie om in deze zaak, die de maatschappij zo geschokt heeft, álles te doen om de onderste steen boven te krijgen.” |
|
|
||